Staren

Als kind kon ik eindeloos lang voor me uitstaren.
Onlangs ontdekte ik dat ik dat niet meer kan.
‘Kun je staren verleren?’ vroeg ik aan een vriend die de kunst van zen beoefent.
‘Je kunt gaan mediteren, dan komt het vanzelf weer terug,’ zei hij.

Dat was niet het antwoord dat ik zocht.

Waarom weet ik nog dat ik daar als kind van hield?

Ik zie mezelf nog in de schoolbank zitten.
De ramen in het klaslokaal waren lang en smal,
en zaten zo hoog dat je er niet doorheen kon kijken.
De zwarte oliekachel in het midden van de klas was,
het zwarte gat waar ik doorheen kon gaan.
Het raampje boven in de kachel was wel op ooghoogte.
Het was zwartgeblakerd.
In de winter zag je een rode gloed erdoorheen schemeren.

Ik zat voorin de klas,
dichtbij de kachel en dichtbij de juf.
Zou ze ooit gemerkt hebben
dat ik al starend in het zwarte gat verdween?
Dat ik niet meer in de schoolbank zat,
maar door de ruimte zweefde.

Of was ik alweer terug voordat ze het in de gaten had?

Staren, dacht ik.
Staren.
Kon ik maar weer staren.


NB
De illustratie is niet de oliekachel die in het klaslokaal stond,
maar komt uit het poppenhuis van mijn moeder
en staat nu in mijn boekenkast.